La búsqueda del término afsteken ha obtenido 11 resultados
NL Neerlandés ES Español
afsteken (v) [vuurwerk] hacer estallar (v) [vuurwerk]
afsteken (v) [toespraak]
  • afgestoken
  • steekt af
  • steken af
  • stak af
  • staken af
dar (v) [toespraak]
  • dado
  • das
  • dan
  • hubiste dado
  • hubieron dado
afsteken (v) [verschil]
  • afgestoken
  • steekt af
  • steken af
  • stak af
  • staken af
contrastar (v) [verschil]
  • contrastado
  • contrastas
  • contrastan
  • hubiste contrastado
  • hubieron contrastado
afsteken (v) [verschil] estar en contraste (v) [verschil]
afsteken (v) [toespraak]
  • afgestoken
  • steekt af
  • steken af
  • stak af
  • staken af
recitar (v) [toespraak]
  • recitado
  • recitan
  • recitas
  • hubiste recitado
  • hubieron recitado
NL Neerlandés ES Español
afsteken (v) [toespraak]
  • afgestoken
  • steekt af
  • steken af
  • stak af
  • staken af
declamar (v) [toespraak]
  • declamado
  • declamas
  • declaman
  • hubieron declamado
  • hubiste declamado
afsteken (v) [toespraak]
  • afgestoken
  • steekt af
  • steken af
  • stak af
  • staken af
orar (v) [toespraak]
  • orado
  • oran
  • oras
  • hubieron orado
  • hubiste orado
afsteken (v) [toespraak]
  • afgestoken
  • steekt af
  • steken af
  • stak af
  • staken af
sermonear (v) [toespraak]
  • sermoneado
  • sermonean
  • sermoneas
  • hubiste sermoneado
  • hubieron sermoneado
afsteken (v) [toespraak]
  • afgestoken
  • steekt af
  • steken af
  • stak af
  • staken af
pronunciar (v) [toespraak]
  • pronunciado
  • pronuncian
  • pronuncias
  • hubieron pronunciado
  • hubiste pronunciado
afsteken (v) [uiterlijk]
  • afgestoken
  • steekt af
  • steken af
  • stak af
  • staken af
resaltar (v) [uiterlijk]
  • resaltado
  • resaltas
  • resaltan
  • hubieron resaltado
  • hubiste resaltado
afsteken (v) [uiterlijk] distinguirse (v) [uiterlijk]

'Traducciones del Neerlandés al Español

NL Sinónimos de afsteken ES Traducciones
contrasteren [aftekenen] estar en contraste
uitspreken [houden] n pronunciar
afhakken [afbikken] truncar
uitsteken [afbikken] sobresalir