La búsqueda del término opmaken ha obtenido 23 resultados
NL Neerlandés ES Español
opmaken (v) [opgebruiken]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
agotar (v) [opgebruiken]
  • agotado
  • agotas
  • agotan
  • hubiste agotado
  • hubieron agotado
opmaken (n adj v) [construct or draw up a budget]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
presupuestar (n adj v) [construct or draw up a budget]
  • presupuestado
  • presupuestan
  • presupuestas
  • hubieron presupuestado
  • hubiste presupuestado
opmaken (v) [opgebruiken]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
dilapidar (v) [opgebruiken]
  • dilapidado
  • dilapidan
  • dilapidas
  • hubiste dilapidado
  • hubieron dilapidado
opmaken (v) [geld]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
dilapidar (v) [geld]
  • dilapidado
  • dilapidan
  • dilapidas
  • hubiste dilapidado
  • hubieron dilapidado
opmaken (v) [opgebruiken]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
despilfarrar (v) [opgebruiken]
  • despilfarrado
  • despilfarras
  • despilfarran
  • hubiste despilfarrado
  • hubieron despilfarrado
NL Neerlandés ES Español
opmaken (v) [geld]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
despilfarrar (v) [geld]
  • despilfarrado
  • despilfarras
  • despilfarran
  • hubiste despilfarrado
  • hubieron despilfarrado
opmaken (v) [opgebruiken]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
derrochar (v) [opgebruiken]
  • derrochado
  • derrochas
  • derrochan
  • hubieron derrochado
  • hubiste derrochado
opmaken (v) [geld]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
derrochar (v) [geld]
  • derrochado
  • derrochas
  • derrochan
  • hubieron derrochado
  • hubiste derrochado
opmaken (v) [schoonheidsverzorging]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
maquillar (v) [schoonheidsverzorging]
  • maquillado
  • maquillas
  • maquillan
  • hubiste maquillado
  • hubieron maquillado
opmaken (v) [bed]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
hacer (v) [bed]
  • hecho
  • haces
  • hacen
  • hubiste hecho
  • hubieron hecho
opmaken (v) [opgebruiken]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
disipar (v) [opgebruiken]
  • disipado
  • disipas
  • disipan
  • hubiste disipado
  • hubieron disipado
opmaken (v) [geld]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
disipar (v) [geld]
  • disipado
  • disipas
  • disipan
  • hubiste disipado
  • hubieron disipado
opmaken (v) [drukken]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
exponer (v) [drukken]
  • expuesto
  • expones
  • exponen
  • hubieron expuesto
  • hubiste expuesto
opmaken (v) [geld]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
agotar (v) [geld]
  • agotado
  • agotas
  • agotan
  • hubiste agotado
  • hubieron agotado
opmaken (v) [opgebruiken]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
consumir (v) [opgebruiken]
  • consumido
  • consumes
  • consumen
  • hubiste consumido
  • hubieron consumido
opmaken (v) [geld]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
consumir (v) [geld]
  • consumido
  • consumes
  • consumen
  • hubiste consumido
  • hubieron consumido
opmaken (v) [schoonheidsverzorging]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
pintar (v) [schoonheidsverzorging]
  • pintado
  • pintas
  • pintan
  • hubieron pintado
  • hubiste pintado
opmaken (v) [drukken]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
disponer (v) [drukken]
  • dispuesto
  • dispones
  • disponen
  • hubieron dispuesto
  • hubiste dispuesto
opmaken (v) [opgebruiken]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
gastar (v) [opgebruiken]
  • gastado
  • gastas
  • gastan
  • hubieron gastado
  • hubiste gastado
opmaken (v) [geld]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
gastar (v) [geld]
  • gastado
  • gastas
  • gastan
  • hubieron gastado
  • hubiste gastado
opmaken (v) [beslissing]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
derivar (v) [beslissing]
  • derivado
  • derivan
  • derivas
  • hubieron derivado
  • hubiste derivado
opmaken (v) [beslissing]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
inferir (v) [beslissing]
  • inferido
  • infieren
  • infieres
  • hubiste inferido
  • hubieron inferido
opmaken (v) [beslissing]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
deducir (v) [beslissing]
  • deducido
  • deducen
  • deduces
  • hubieron deducido
  • hubiste deducido

'Traducciones del Neerlandés al Español

NL Sinónimos de opmaken ES Traducciones
verteren [opeten] trawić
sieren [tooien] zdobić
versieren [tooien] n nadskakiwać (n adj v)
opsmukken [tooien] zdobić
lezen [begrijpen] n czytać
invullen [uitschrijven] wypełniać
verspillen [verkwisten] marnować
afleiden [concluderen] różniczkować (v)