La búsqueda del término preparar ha obtenido 17 resultados
ES Español NL Neerlandés
preparar (v) [instrucción]
  • preparado
  • preparas
  • preparan
  • hubiste preparado
  • hubieron preparado
voorbereiden (v) [instrucción]
  • voorbereid
  • bereidt voor
  • bereiden voor
  • bereidden voor
  • bereidde voor
preparar (v adj) [in a position to function]
  • preparado
  • preparas
  • preparan
  • hubiste preparado
  • hubieron preparado
klaarzetten (v adj) [in a position to function]
  • klaargezet
  • zet klaar
  • zetten klaar
  • zetten klaar
  • zette klaar
preparar (v) [café]
  • preparado
  • preparas
  • preparan
  • hubiste preparado
  • hubieron preparado
zetten (v) [café]
  • gezet
  • zet
  • zetten
  • zetten
  • zette
preparar (v) [instrucción]
  • preparado
  • preparas
  • preparan
  • hubiste preparado
  • hubieron preparado
klaarmaken (v) [instrucción]
  • klaargemaakt
  • maakt klaar
  • maken klaar
  • maakten klaar
  • maakte klaar
preparar (v) [hecho]
  • preparado
  • preparas
  • preparan
  • hubiste preparado
  • hubieron preparado
klaarmaken (v) [hecho]
  • klaargemaakt
  • maakt klaar
  • maken klaar
  • maakten klaar
  • maakte klaar
ES Español NL Neerlandés
preparar (v) [culinario]
  • preparado
  • preparas
  • preparan
  • hubiste preparado
  • hubieron preparado
klaarmaken (v) [culinario]
  • klaargemaakt
  • maakt klaar
  • maken klaar
  • maakten klaar
  • maakte klaar
preparar (v) [instrucción]
  • preparado
  • preparas
  • preparan
  • hubiste preparado
  • hubieron preparado
prepareren (v) [instrucción]
  • geprepareerd
  • prepareert
  • prepareren
  • prepareerden
  • prepareerde
preparar (v) [hecho]
  • preparado
  • preparas
  • preparan
  • hubiste preparado
  • hubieron preparado
prepareren (v) [hecho]
  • geprepareerd
  • prepareert
  • prepareren
  • prepareerden
  • prepareerde
preparar (v) [culinario]
  • preparado
  • preparas
  • preparan
  • hubiste preparado
  • hubieron preparado
prepareren (v) [culinario]
  • geprepareerd
  • prepareert
  • prepareren
  • prepareerden
  • prepareerde
preparar (v) [éxito]
  • preparado
  • preparas
  • preparan
  • hubiste preparado
  • hubieron preparado
klaarspelen (v) [éxito]
  • klaargespeeld
  • speelt klaar
  • spelen klaar
  • speelde klaar
  • speelden klaar
preparar (v) [hecho]
  • preparado
  • preparas
  • preparan
  • hubiste preparado
  • hubieron preparado
voorbereiden (v) [hecho]
  • voorbereid
  • bereidt voor
  • bereiden voor
  • bereidden voor
  • bereidde voor
preparar (v) [culinario]
  • preparado
  • preparas
  • preparan
  • hubiste preparado
  • hubieron preparado
samenstellen (v) [culinario]
  • samengesteld
  • stellen samen
  • stelt samen
  • stelden samen
  • stelde samen
preparar (v) [culinario]
  • preparado
  • preparas
  • preparan
  • hubiste preparado
  • hubieron preparado
bereiden (v) [culinario]
  • bereid
  • bereiden
  • bereidt
  • bereidde
  • bereidden
preparar (v) [culinario]
  • preparado
  • preparas
  • preparan
  • hubiste preparado
  • hubieron preparado
brouwen (v) {n} [culinario]
  • gebrouwd
  • brouwen
  • brouwt
  • brouwde
  • brouwden
preparar (v) [instrucción]
  • preparado
  • preparas
  • preparan
  • hubiste preparado
  • hubieron preparado
opleiden (v) [instrucción]
  • opgeleid
  • leidt op
  • leiden op
  • leidde op
  • leidden op
preparar (v) [éxito] voor elkaar krijgen (v) [éxito]
preparar (v) [éxito] voor elkaar brengen (v) [éxito]